als / dan

Dan – gebruik je ná een vergrotende trap. De vergrotende trap is in de volgende voorbeelden vet gedrukt: goed, beter, best – groot, groter, grootst – wit, witter, witst, klein, kleiner, kleinst.

Voorbeelden: Piet is groter dan Henk. Ik kan hoger klimmen dan jij. Mijn auto rijdt harder dan de jouwe.

Als – gebruik je in alle andere gevallen. Het gaat dan vaak om een stellende trap. In de voorbeelden hierboven is de stellende trap onderstreept.

Voorbeelden: Piet is net zo groot als Henk. Ik kan niet zo hoog klimmen als jij. Mijn auto rijdt twee keer zo hard als de jouwe.

OEFENINGEN:
als / dan – 01
als / dan – 02
als / dan – 03
als / dan – 04
als / dan – 05
als / dan – 06
als / dan – 07