als / dan – 01

1. Mariëlle is twee centimeter langer ... Peter.
2. Peter is even lang ... Jan.
3. Zo rijk ... de sjeik van Oman zal ik niet worden.
4. Ik weet niet of jullie dezelfde kansen hebben gehad ... jij.
5. Vinden je ouders je zusje liever ... jou?
6. William is een stuk leniger .....Marieke.
7. Hij lijkt wel net zo flexibel ... een stuk elastiek.
8. Die tentoonstelling was een stuk interessanter ... ik verwacht had.
9. Het was er lang niet zo saai ... jij verteld had.
10. Het gemiddeld IQ van de Nederlander is hoger ... 100 jaar geleden.