als / dan – 03

1. Je kunt mij minder goed voor de gek houden .... Piet.
2. Is hij net zo goed in karate ... ik ben?
3. Misschien kan Joost wel harder fietsen ... jij kunt.
4. Ik heb hem altijd liever gevonden ... alle andere jongens.
5. Hij is niet zo lief voor mij ... ik voor hem ben.
6. Jozette heeft meer cadeautjes gekocht voor Jos .... ik.
7. Weet jij of hij net zo veel geld uitgeeft aan games ... Mark?
8. Gamen vindt hij niet zo leuk ... racen op zijn motor.
9. Engels vindt Jimmy gemakkelijker ... Nederlands.
10. Dat gras aan de overkant is groener .... dat bij ons in de tuin.