als / dan – 04

1. Moet je bij wiskunde vaker opletten ... bij Duits?
2. Die woordjes vind ik moeilijker ... die zinnen.
3. Jari heeft net zo hard geleerd voor Frans ... voor scheikunde.
4. Voor scheikunde heeft hij een hoger cijfer ... voor Duits.
5. Wie weet of je voor gas meer moet betalen ... voor benzine?
6. Volgens mij is benzine niet zo goed ... diesel.
7. Koga's vind ik mooiere fietsen .... Gazelles.
8. Jij kunt op een step niet zo snel ... op een waveboard.
9. Mijn laptop is moderner ... die van jou.
10. De harde schijf is een stuk duurder ... die ik een jaar geleden heb gekocht.