als / dan – 05

1. Weet jij meer ... hij?
2. Ik heb hem meer gegeven ... jou.
3. Je moet net zo hard werken .... ik.
4. Heb je hem net zo liefgehad ... ik?
5. Hij heeft vaker gestofzuigd ... Marieke.
6. Ze is niet zo netjes .... hij is.
7. Wie kan er hoger klimmen ... Gerard?
8. Langs het kanaal is het leuker fietsen ... door de stad.
9. Je moet hem beter begeleiden ... zij heeft gedaan.
10. Wout heeft meer spelletjes gedaan ...Jeroen.