als / dan – 06

1. Jouw jas is langer ... die van Anissa.
2. Anissa is op haar longboard sneller ... jij!
3. De trap in de molen is hoger ... die in huis.
4. Nienke heeft net zo hard geleerd ... Naomi.
5. Als je hoger ... een acht haalt op je proefwerk, krijg je een lolly!
6. Mijn moeder was niet zo boos ... die van jou.
7. Het glas van Hannah is voller ... dat van Aafke.
8. Rodrick heeft meer op zijn proefwerkblaadje geschreven ... Ceona.
9. Hebben wij nu langer vakantie ... het jaar hiervoor?
10. Nee, de vakantie is net zo lang ... vorig jaar.