als / dan – 07

1. Mike is langer ... Kay.
2. Kay is net zo slim ... Mike!
3. Britt kan even goed tekenen ... Danique.
4. Danique gebruikt meer kleurtjes ... Britt.
5. Liekes spreekbeurt duurde korter ... die van Maureen.
6. Maureen bracht meer spulletjes mee ... Lieke.
7. Mevrouw Verberk vond Ramona's spreekbeurt net zo interessant ... die van Jane.
8. Jane moet verder fietsen naar school ... mevrouw Verberk.
9. Lokaal B17 is net zo groot ... lokaal B19.
10. In B17 is het tapijt wel veel kleuriger .. in B19.