hun / hen

Hun = bezittelijk voornaamwoord (hun huis, voor hun vader), maar het kan ook een meewerkend voorwerp zijn.

Voorbeelden:
Het is hun eigen schuld dat ze hun huis kwijt zijn. (Twee keer bezittelijk voornaamwoord; het geeft immers een bezit aan!)

Ik heb het hun gegeven. (meewerkend voorwerp – let op: als er een voorzetsel voor het meewerkend voorwerp staat, moet je ‘hen’ gebruiken, bijvoorbeeld: ik heb het aan hen gegeven, het zweet stond bij hen op het voorhoofd..)

Hen = lijdend voorwerp. Ook gebruik je hen ná een voorzetsel. (AAN hen, VOOR hen)

Voorbeelden:
Ik heb hen geslagen.(lijdend voorwerp)
Ik heb de doos aan hen gegeven (na een voorzetsel, meewerkend voorwerp).

OEFENINGEN:
hun / hen – 01
hun / hen – 02