hun / hen – 01

1. Ik heb mijn spullen aan ... gegeven.
2. Weet je waar ... auto staat?
3. Jolande heeft ... gisteren nog een tientje gegeven.
4. Misschien moet je ... maar even bellen.
5. Hij rijdt volgens ... te hard
6. Heb je ... saldo al gecheckt?
7. Misschien moet je het aan ... docent vragen.
8. Ik heb het ... gisteren nog verteld.
9. Bij ... kun je altijd terecht voor extra uitleg.
10. De barman geeft aan ... niets meer te drinken.