hun / hen – 04

1. Na een avondje uit wil ik graag met ... terug naar huis fietsen.
2. Weet je of zij ... banden wel goed hebben opgepompt?
3. Mevrouw De Beer heeft ... gisteren nog een nieuw setje bandenplakspul verkocht.
4. Sven en Berthe willen best met ... naar de bioscoop gaan.
5. Nordin heeft ... gisteren de kaartjes gegeven.
6. Aan de Stationsstraat heb ik ... blauwe tweewielers vanmorgen nog zien staan.
7. Had Boris dat niet tegen ... gezegd?
8. Bij de pizzeria hebben Job en Boris nog wel aan ... gedacht.
9. Heb je ... daar gezien?
10. Lieke herkende de jongens aan ... jassen.