hun / zij

Wanneer gebruik je nu hun’ en wanneer zij?

Hun kan maar twee dingen zijn: een bezittelijk voornaamwoord of een meewerkend voorwerp (als er géén voorzetsel voor staat!).

Voorbeeld: hun boeken zijn al binnen (bezittelijk voornaamwoord) of: ik heb hun de boeken gegeven (meewerkend voorwerp).

Zij kan alleen als onderwerp gebruikt worden, zowel in het enkelvoud als meervoud.
Voorbeeld: zij hebben gegeten (meervoud), zij heeft mij verlaten (enkelvoud).

(Let op: in plaats van ‘zij’ mag je ook altijd ‘ze’ schrijven!)

OEFENEN:
hun / zij – 01
hun / zij – 02