hun / zij – 01

1. Ik heb het ... gisteren nog verteld.
2. Gisteren hadden ... nog niets voor Jan gekocht.
3. Weet je waar ... spullen zijn?
4. Voor ... moeder wilden Atakan en Ramazan wel een bloemetje kopen.
5. ... spraken af dat het een heel grote bos moest worden.
6. Hebben ... zo veel geld?
7. Ik wilde ... geen onvoldoende geven.
8. Vorige week hadden ... ontzettend goed opgelet in de les!
9. Lisa vertrouwde me niet. ... wilde me eerst controleren!
10. Heb je het ... al gezegd?