hun / zij – 02

1. ... hebben alweer gewonnen!
2. Heeft de directeur ... een cadeau gegeven?
3. Tijdens de sportdag waren ... heel goed bezig!
4. Boris en Job hadden ... spullen goed voor elkaar.
5. De docent LO gaf ... terecht een complimentje.
6. Zo moesten ... het vaker doen!
7. Vanwege de harde wind heb ik ... vriendjes opgehaald van school.
8. Moesten ... vanmiddag ook nablijven?
9. Je kunt het ... zelf vragen. Ze staan dáár!
10. ... willen geen antwoord geven!