psv na als / dan – 04

Kies het goede persoonlijk voornaamwoord.

1. Ik heb hem niet zo veel toffees gegeven als ik .... gegeven heb.
2. Moet ik vandaag minder lang fietsen als ...?
3. Wie weet minder dan ... weten?
4. Misschien moest je wat meer kilometers lopen dan ... moest lopen.
5. Heb je mij betere pennen gegeven dan je ... hebt gegeven?
6. Wil je die bal net zo hard slaan als ... die bal slaat?
7. Ik drink veel minder koffie dan .... drinkt.
8. Joost is groter dan ....bent.
9. Wil je verder gaan dan ... gaan?
10. Ik heb hem nooit zo gepest als .... hem hebt gepest.