psv na als / dan – 05

1. Melissa springt hoger dan ... springt.
2. Ik schrijf sneller dan ... schrijft.
3. Mijn buurjongen is liever dan ... lief bent.
4. Floor is net zo aardig als ... aardig is.
5. Eva rent niet zo snel als ... ren.
6. Wij lezen veel meer boeken dan ...lezen.
7. Janosh is dikker dan ... is.
8. Jimmy is net zo lief als ... lief is.
9. Mickey eet minder brokjes dan ... eet.
10. Mevrouw Verberk geeft vaker onvoldoendes dan ....geeft.