psv na als / dan – 06

1. Marije heeft meer goede cijfers dan ...
2. Jij kunt veel sneller typen dan ....
3. Lieke en Maureen versieren hun schrift veel mooier dan ...
4. Fleur kijkt niet zo vaak op haar telefoon als ...
5. Meneer De Groot kan mooier voorlezen dan ...
6. Mevrouw Verberk kan niet zo hard fietsen als ...
7. Moet je harder leren dan ... voor je proefwerk?
8. Kay lacht veel vaker dan ...
9. Zij betalen veel meer geld dan ...
10. H&M verkoopt goedkopere sjaaltjes dan ...