te danken / te wijten – 01

1. Die jongen had zijn leven (...) aan het adequate optreden van het ambulancepersoneel.
2. De lekkage in de kelder is (...) aan het slechte onderhoud.
3. Er kwamen veel mensen naar de Lentemarkt. Dat was vast (...) aan het mooie weer.
4. Rosa ziet weer hartstikke scherp. Dat heeft ze (...) aan haar nieuwe lenzen.
5. Simone struikelde wel vijf keer op weg naar de stad, wat (...) was aan haar onmogelijk hoge hakken.
6. Dat hoge cijfer heeft Iva (...) aan het harde leren in de voorjaarsvakantie.
7. Dat jij eruit bent gestuurd, heb je (...) aan je drukke gedrag.
8. Die boete was (...) aan je roekeloze rijgedrag!
9. Die fantastische haarkleur heb ik (...) aan mijn geweldige kapper!
10. Die vreselijke infectie is (...) aan een gruwelijke bacterie.