ze/zij/hun/hen – 01

Wat moet je invullen?

1. ...hebben die boeken niet bij zich.
2. Dat hebben ... nooit in zo'n korte tijd kunnen doen.
3. Mevrouw Jonkers wil .... niet helpen bij die moeilijke som.
4. Moet je dan niet even aan .... vragen?
5. .... willen mij morgen voor dat werk betalen.
6. Denk je dat ... die film al gezien hebben?
7. De bakker gaf ... een extra broodje mee.
8. ... hebben een nieuw huis voor al die zwerfkatten gevonden.
9. Ik wil mijn auto niet aan ... uitlenen.
10. De vakantiegangers hebben overhaast ... spullen gepakt.