zij/hun – 02

Wat moet je invullen?

1. In de winter kun je ... je schaatsen wel lenen.
2. ... kunnen de ijzers voor je slijpen.
3. Denk je dat ... met je mee willen gaan naar het stadion?
4. ... muziek is duidelijk niet de mijne.
5. Weet jij wanneer ... weer naar huis komen?
6. Ik heb het ... nog niet gevraagd.
7. Wil je ... nog een kopje koffie geven?
8. De bonen voor deze heerlijke koffie zullen ... zo voor jou malen.
9. Met wortelen, prei en aardappelen weten ... wel een mooie maaltijd te maken.
10. Het opruimen van de boekenkast is ... taak.