zinsdeelvolgorde – 01

Wat is de volgorde van de volgende zinnen?

(O = onderwerp, P = persoonsvorm, A = ander zinsdeel)

1. De leerlingen wisten het antwoord niet.
2. 's Avonds wordt het hier altijd koud.
3. Kun je voor mij het licht aandoen?
4. Bram was voor niemand bang.
5. Voor de bakkerswinkel staat een groot nepgebakje.
6. Met naald en draad kun je die jas wel maken.
7. Wilde vanmorgen niemand de toets maken?
8. Floor was klaar met de Cito-toets
9. Denkt Floris aan het feest van gisteren?
10. De Muzeval is met de grond gelijk gemaakt.