grammatica – werkwoordstijden

De werkwoordstijden!

Je bepaalt de tijd waarin de zin staat, op de volgende manier:

1. Kijk of er een hulpwerkwoord van hebben of zijn in de zin staat.

Ja? Dan is de zin voltooid. Je schrijft dan een V op plaats 1.

Nee, dan is de zin onvoltooid. Je schrijft dan een O op plaats 1.

2. Kijk of de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd, of in de verleden tijd staat.

Tegenwoordige tijd? Schrijf een T op plaats 2.

Verleden tijd? Schrijf een V op plaats 2.

3. Staat er een vorm van zullen in de zin?

Ja. Schrijf een T op plaats 3.

Nee. Plaats 3 ‘verdwijnt’.

4. Op plaats 4 staat altijd al een T (van: ‘tijd’).

Bijvoorbeeld:

Ik zou naar huis kunnen gaan.

1. Er staat geen hulpwerkwoord van hebben of zijn in de zin. De zin is dus onvoltooid.

Er komt een O op plaats 1.

2. De persoonsvorm (zou) staat in de verleden tijd. Je schrijft een V op plaats 2.

3. Er staat een vorm van zullen in de zin (zou). Je schrijft een T op plaats 3.

4. Op plaats 4 staat al een T.

Bij elkaar wordt dat dus: O.V.T.T., ofwel: onvoltooid verleden toekomende tijd.

Nog een voorbeeld:

Je had me dat wel eens mogen zeggen.

1. Er staat een hulpwerkwoord van hebben of zijn in de zin (had). De zin is dus voltooid.

Er komt een V op plaats 1.

2. De persoonsvorm staat in de verleden tijd. Je schrijft een V op plaats 2.

3. Er staat geen vorm van zullen in de zin. Plaats 3 ‘verdwijnt’.

4. Op de laatste plaats staat al een T.

Bij elkaar wordt dat dus: V.V.T., ofwel: voltooid verleden tijd.