werkwoordstijden – 01

In welke tijd staan de onderstaande zinnen?

1. Ik ga morgen wel naar school.
2. Wilde jij een nieuwe fiets kopen?
3. Je mag die pen niet gebruiken!
4. Heb je je proefwerk met potlood gemaakt?
5. Pieter was gisteren niet in de les.
6. De computer is gisteren verkocht aan de buurman.
7. De zon scheen niet vandaag.
8. Meneer Prinsen maakte een mooie toets voor havo 3.
9. Had hij dat moeilijke onderwerp er ook in gezet?
10. Je moest die zinnen wel kunnen ontleden!