werkwoordstijden – 02

In welke tijd staan onderstaande zinnen?

1. Jos ging in de herfstvakantie naar New York
2. Je had beter moeten leren!
3. Veel leerlingen vinden de Maatschappelijke Stage een interessante ervaring.
4. Heeft de hond je huiswerk nu alweer opgegeten?
5. De bel zal over een minuutje wel gaan.
6. Moet je morgen je kamer opruimen?
7. Dat zou je aan de docent economie moeten vragen!
8. Mijn zus was al naar dat bijzondere winkeltje in Amsterdam geweest.
9. Ik heb mijn rij-examen helemaal verprutst.
10. Zul je goed op je kleine broertje passen?