werkwoordstijden – 03

In welke tijd staan de onderstaande zinnen?

1. De lente begint voor veel mensen pas op 21 maart.
2. Heb je alle bloembollen vorig jaar in de tuin geplant?
3. Mijn moeder had liever rode tulpen in plaats van gele gekregen.
4. Onze poezen liggen het liefst te soezen in het zonnetje op het gras.
5. Liepen jullie gisteren nou ook door de stad?
6. Alle terrasjes zijn vanaf morgen geopend!
7. Dat meisje aan de overkant heeft een wel heel dun jasje aan.
8. Bij de ijssalon op de hoek heeft ze net een sorbet gegeten.
9. Haar zusje had veel liever een softijsje genomen.
10. Ja, de winter is nu echt voorbij!