betrekkelijk voornaamwoord

Betrekkelijke voornaamwoorden slaan bijna altijd terug op iets (het antecedent) wat al eerder in de zin genoemd is. Soms slaat het terug op een hele zin.

De belangrijkste betrekkelijke voornaamwoorden zijn: die, dat, wie en wat.

Die gebruik je na een de-woord: Ik wil later een man die heel veel geld verdient.

een man (de man) = het antecedent

Dat gebruik je na een het-woord: Het oude vrouwtje dat ik tegenkwam, leek op mijn tante.

het oude vrouwtje = antecedent

Wie gebruik je na een voorzetsel: De jongen aan wie ik mijn verhaal vertelde.

De jongen (aan) = antecedent

Wat gebruik je in drie gevallen:

1. Na een onbepaald (voornaam-)woord (bijvoorbeeld: iets, veel, enige): Het enige wat ik wil, is rust!

Het enige = antecedent

2. Na een overtreffende trap (bijvoorbeeld: grootste, meeste, liefste): Het beste wat jou kan overkomen, is een week vrij.

Het beste = antecedent

3. Na een hele zin: Ik heb zes uur geleerd, wat best wel veel is.

Ik heb zes uur geleerd = antecedent

OEFENINGEN
betrekkelijk voornaamwoord