aanwijzend voornaamwoord

Er zijn maar zes aanwijzende voornaamwoorden: dit, dat, die, deze, zo’n, zulke.

Ze staan vóór iets wat je kunt aanwijzen. Voorbeelden: Ik het dit boek nog niet gelezen. Wil jij die leerling vragen of hij naar voren komt? Zo’n laag cijfer wil ik niet halen. Weet jij waar je zulke broodjes kunt kopen?

Soms staan ze ook op zichzelf. De aanwijzende voornaamwoorden worden dan zelfstandig gebruikt. In gedachten kun je er dan wel iets achter zetten waarnaar gewezen wordt. Voorbeelden: Ik wil deze niet. Dat vind ik niet leuk!

Je gebruikt dit en dat bij ‘het’-woorden. Het meisje, dit meisje, dat meisje.

Je gebruikt die en deze bij ‘de’-woorden en meervouden. De jongen, die jongen, deze jongen, die jongens, deze jongens.

Zo’n kun je bij elk woord gebruiken. Zulke gebruik je bij meervouden.

OEFENINGEN
aanwijzend voornaamwoord – 01