aanwijzend voornaamwoord – 01

Geef aan wat de aanwijzende voornaamwoorden zijn in de volgende zinnen.

1. De jongen die daar zit, heeft net zulke schoenen als Peter.
2. Dat tentje heb ik laatst bij Bever Zwerfsport gekocht?
3. Dat boek heb ik helemaal niet aan die docent gegeven.
4. Weet je dat ik die helemaal niet lust?
5. Zulke vragen moet je niet aan dat meisje stellen!
6. Dit spelletje vind ik leuker dan dat andere.
7. Dat heeft zo'n jongen toch niet nodig!
8. De fiets die jij kocht lijkt op dat ding van mij!
9. Wil je dat schrift aan die jongen met het rode shirt geven?
10. Het mooiste wat je me kunt geven, is zo'n enorme reep chocola!