bijvoeglijk naamwoord

Een bijvoeglijk naamwoord noemt een eigenschap of kenmerk van een zelfstandig naamwoord.

Voorbeeld: de rode bloem. Rode geeft een eigenschap van bloem. Je kunt een bijvoeglijk naamwoord vinden door te vragen: WAT VOOR (+zelfstandig naamwoord)? Het antwoord op die vraag is het bijvoeglijk naamwoord.

Voorbeeld: een groen jasje. WAT VOOR (jasje)? Antwoord: groen. Groen is dus een bijvoeglijk naamwoord.

Een bijvoeglijk naamwoord staat meestal direct voor het zelfstandig naamwoord. Er kunnen meer bijvoeglijke naamwoorden voor een zelfstandig naamwoord staan. In dat geval moet er een komma tussen de bijvoeglijke naamwoorden staan.

Voorbeelden: de harde, zoute pinda’s. Of: het mooie, vrolijke meisje.


Soms staat een bijvoeglijk naamwoord achter het zelfstandig naamwoord. Dat is het geval als er een naamwoordelijk gezegde in de zin staat.

Voorbeelden: De auto is rood. Mijn tante is lief(Zie je dat het bijvoeglijk naamwoord nog steeds iets over het zelfstandig naamwoord ervoor zegt?)


Let op: soms lijken woorden een bijvoeglijk naamwoord, maar dan zijn ze het niet. In die gevallen zeggen ze iets over een ander woord dan een zelfstandig naamwoord, en dan zijn het bijwoorden.

Voorbeelden:
Die deur is mooi geverfd. (‘mooi’ zegt iets over geverfd, en ‘geverfd’ is een werkwoord) 
Dat is een heel lekker ijsje. (‘heel’ zegt iets over lekker, en ‘lekker’ is een bijvoeglijk naamwoord)

OEFENINGEN:
bijvoeglijk naamwoord – 01
bijvoeglijk naamwoord – 02
bijvoeglijk naamwoord – 03 (nieuw!)