lidwoord

Lidwoorden kun je voor een zelfstandig naamwoord zetten.

Er zijn er maar drie van: de, het, een.

Let op: ‘het’ kan ook een persoonlijk voornaamwoord zijn. Je kunt het dan vervangen door ‘dat’ en als je de zin zou ontleden in zinsdelen, dan zou ‘het’ een apart zinsdeel zijn.

Een’ kan ook een telwoord zijn. In dat geval moet het wel voor iets staan wat geteld wordt. Voorbeeld: ik heb een doos gekocht, niet twee. Vaak staan er ook accenten op één. Dat is om nog duidelijker te maken dat het hier om het getal gaat, ofwel een telwoord, en niet om het lidwoord.

OEFENINGEN
lidwoord – 01