persoonlijk voornaamwoord – 01

Geef aan wat de persoonlijke voornaamwoorden zijn in de volgende zinnen.

1. Martin weet niet of hij uitgenodigd is voor dat feestje.
2. In de zomer wil ik graag met mijn vrienden gaan zwemmen.
3. Op de fruitschaal ligt het appeltje dat je wilde meenemen.
4. Op het bankje in de tuin kun je heerlijk relaxen.
5. Willen jullie nog naar het feest van Marc en Joke?
6. We willen niet dat Henriëtte met die jongens meegaat.
7. Wij zijn vrienden voor het leven.
8. Jullie bootje botste net tegen dat van mij.
9. Tegen ons kun je dat soort dingen wel zeggen.
10. Moest je het proefwerk opnieuw maken van Van der Veen?