persoonlijk voornaamwoord – 02

Geef aan wat de persoonlijke voornaamwoorden zijn in de volgende zinnen.

1. Kun je jouw spullen even op de kamer van Peter leggen?
2. Waarom nodig je me niet uit voor dat feest?
3. Wil hij dat ik aan je tafel kom zitten?
4. Op mijn feestje wil ik Jan niet zien!
5. Sommige mensen kunnen mij niet boeien.
6. Zij hebben hun huiswerk niet gemaakt.
7. Dat moet je niet aan hen vragen.
8. Vinden jouw ouders het wel goed?
9. Ik heb het hun net nog gevraagd.
10. Hun fietsen heb ik niet aangeraakt.