persoonlijk voornaamwoord – 03

Benoem de persoonlijke voornaamwoorden in de volgende zinnen.

1. Hij is door Piet naar haar gestuurd.
2. Je weet dat hij dat eerst moet vragen!
3. Wil jij de hond van de bank halen?
4. We hebben ons diploma nog niet gehaald, Marieke!
5. Mag ik uw hondje aaien?
6. Misschien mag zij morgen wel meedoen aan die wedstrijd van hen!
7. Dat moet je niet aan mij vragen!
8. Wim en Kees luisteren niet naar mij, maar wel naar hun moeder.
9. Zij weet dat beter dan jullie allemaal bij elkaar!
10. Jouw zus is liever dan die van mij, dat weet ik wel.