persoonlijk voornaamwoord – 04

Vervang het woord in de zin dat tussen haakjes staat door een persoonlijk voornaamwoord!

1. (Piet) is gisteren naar de markt geweest.
2. Moesten (José en Miranda) gisteren nablijven?
3. (De hond) wilde na een kwartiertje weer naar binnen.
4. Ik heb het cadeautje aan (Andy) gegeven.
5. Misschien moet je het aan (de docent) vragen.
6. Zag je (die vogels) zitten op het dak?
7. Ik vind (dat pakketje) niet groot genoeg!
8. Wil (Romy) niet zeggen waar ze is geweest?
9. Moest (die man) jou een tientje geven?
10. In de winter willen (de katten) liever op de verwarming liggen.