van alles door elkaar

OEFENINGEN
van alles door elkaar – 01
lidwoord (lw) – zelfstandig naamwoord (zn) – bijvoeglijk naamwoord (bn) – voorzetsel (vz)

van alles door elkaar – 02
aanwijzend voornaamwoord (av), betrekkelijk voornaamwoord (btv), vragend voornaamwoord (vrv)

van alles door elkaar – 03
zelfstandig naamwoord (zn) – bijvoeglijk naamwoord (bn) – bijwoord (bw) – voorzetsel (vz)

van alles door elkaar – 04
voornaamwoorden (psv, bzv, ovw, avw, vrv, wkv wgv)

van alles door elkaar – 05
voornaamwoorden (psv, bzv, ovw, avw, vrv, wkv wgv)

van alles door elkaar – 06
persoonlijk voornaamwoord (psv) en bezittelijk voornaamwoord (bzv)

van alles door elkaar – 07
persoonlijk voornaamwoord (psv) en bezittelijk voornaamwoord (bzv)

van alles door elkaar – 08
persoonlijk voornaamwoord (psv) en bezittelijk voornaamwoord (bzv)