voorzetsel

Voorzetsels zijn de zogenaamde ‘kast’- en ‘feest’-woorden. Je kunt ze ofwel vóór ‘de kast’ zetten, ofwel voor ‘het feest’. Voorbeelden: In de kast, op de kast, tijdens het feest, na het feest.

Voorzetsels staan altijd aan het begin van een woordgroep. Soms lijkt een woordje aan het einde van een zin op een voorzetsel, maar dat is het niet. Het is in die gevallen bijna altijd een bijwoord.

Voorbeelden: Ik heb je boeken in (vz) de kast gelegd. Gooi ze maar de kamer in (bw).

OEFENINGEN
voorzetsel – 01
voorzetsel – 02
voorzetsel – 03