voorzetsel – 01

Geef aan wat de voorzetsels zijn in de volgende zinnen.

1. Verlangen jullie ook zo naar het weekend?
2. Tijdens zijn eerste bezoek schaamde Johan zich voor zijn kleding.
3. Die man kijkt je tijdens het praten nooit aan.
4. Waarom knap jij dat klusje in het weekend niet op?
5. Heb je een verklaring voor je gedrag in de klas?
6. De bakker op de hoek verkoopt broodjes met beleg.
7. Met de trein uit Zutphen kom je om drie uur aan.
8. Doe jij morgen mee met die sponsorloop?
9. De spits van Ajax lag er gisteren weer uit.
10. Die verdediger van het andere team was al eerder uit de wedstrijd gehaald.