voorzetsel – 04

Benoem de voorzetsels in de volgende zinnen. (Boermarkeweg, mavo 1)

1. In de winter is het erg koud.
2. Voor de tafel staat een bak met oud papier.
3. Op de kast ligt de toets voor morgen al klaar.
4. Bij die taart lust ik wel een glaasje limonade uit die groene fles.
5. Tijdens het feest wilde Jane met Ramona de limbo dansen.
6. Voor school loop ik een rondje door het bos van Emmen.
7. Van mijn zakgeld kan ik die oorbellen met steentjes van diamant niet kopen.
8. Door jouw drukke gedrag is de les ontzettend verstoord, hoor.
9. Ga jij ook met de bus naar school?
10. Naast het fietsenrek lag een eekhoorntje met een halve staart.