wederkerend en wederkerig voornaamwoord

Het wederkerend voornaamwoord komt alleen voor in combinatie met een wederkerend werkwoord. Wederkerende voornaamwoorden hebben in de infinitief (het hele werkwoord) het woordje ‘zich’ bij zich. Voorbeelden van wederkerende werkwoorden zijn: zich ergeren, zich schamen, zich vergissen, zich verspreken.

Het wederkerende voornaamwoord verwijst terug naar het onderwerp.

In de zinnen hieronder staat in de eerste kolom het onderwerp, in de tweede kolom het wederkerend werkwoord en in de derde kolom het wederkerend voornaamwoord dat bij dat onderwerp in de zin past. Het wederkerend werkwoord dat als voorbeeld gebruikt wordt, is: zich schamen.

Onderwerp Wederkerend
werkwoord
Wederkerend voornaamwoord
Ik
Jij
U
Hij/zij
Wij
Jullie
Zij
schaam
schaamt
schaamt
schaamt
schamen
schamen
schamen
me
je
zich
zich
ons
je
zich

 

Wederkerig voornaamwoord

Wederkerig betekent: naar (of van) beide kanten, wederzijds. Het enige woord dat een wederkerig voornaamwoord is, is: elkaar. Er bestaan ook nog wat ouderwetse vormen van, zoals elkander en mekaar, maar die komen niet zo vaak voor.

Als het wederkerig voornaamwoord bezittelijk wordt gebruikt, staat er: elkaars.