werkwoorden

Werkwoorden geven aan wat er gebeurt; wat er ‘gedaan’ wordt. Werkwoorden worden ook wel ‘doe’-woorden genoemd.

Voorbeelden:

Ik loop naar huis.

Peter heeft een brief geschreven.

We zwemmen iedere dag.


Er zijn: drie soorten werkwoorden:

hulpwerkwoorden – deze staan nooit in hun eentje in een zin; ze ‘helpen’ alleen het zelfstandig werkwoord, of het koppelwerkwoord.

zelfstandige werkwoorden – staan alleen of samen met een hulpwerkwoord in een zin. Deze zin heeft dan een werkwoordelijk gezegde.

koppelwerkwoorden – staan alleen of samen met een hulpwerkwoord in een zin. In een zin met een koppelwerkwoord heb je te maken met een naamwoordelijk gezegde.


Staat er maar één werkwoord in de zin? Dan is dit werkwoord een zelfstandig werkwoordof een koppelwerkwoord.

Staat er meer dan één werkwoord in de zin? Dan is de persoonsvorm een hulpwerkwoord. Streep dit weg en maak met de rest een nieuwe zin. Zolang er meer dan één werkwoord in de zin staat, is de persoonsvorm een hulpwerkwoord. Het laatste werkwoord dat overblijft(=het belangrijkte werkwoord) is een zelfstandig werkwoord of een koppelwerkwoord.

Voorbeeld: Zou jij dat ook zo gedaan hebben?

Er zijn drie werkwoorden. Zou, gedaan en hebben. Zou is persoonsvorm en dus een hulpwerkwoord.

We strepen zou weg en maken met de rest van de woorden een nieuwe zin.

Heb jij dat ook zo gedaan?

We hebben nu twee werkwoorden. Heb is persoonsvorm en dus hulpwerkwoord.

Je houdt nu nog maar één werkwoord over. Het is geen koppelwerkwoord (zie verder hieronder), dus is gedaan een zelfstandig werkwoord.


De koppelwerkwoorden.

Er zijn negen koppelwerkwoorden. Leer ze uit het hoofd!!

ZIJN, WORDEN, BLIJVEN, BLIJKEN. LIJKEN, SCHIJNEN, HETEN, (DUNKEN, VOORKOMEN).

(dunken en voorkomen staan tussen haakjes. Deze worden niet zo vaak meer gebruikt in de betekenis die ze hier hebben. Dunken betekent hier NIET: een bal in het net krijgen, maar: iets lijkt zo te zijn, en voorkomen betekent hier NIET: zorgen dat het niet gebeurt, maar ook weer: iets lijkt zo te zijn, ziet er zo uit…)

Let op:

  • De koppelwerkwoorden geven aan dat iets ‘zo is’, of ‘zo lijkt (te zijn)’. Ze worden gebruikt om eigenschappen van het onderwerp in de zin weer te geven.
  • Zijn heeft als koppelwerkwoord een andere betekenis dan: ‘zich bevinden’.
    Als schijnen een koppelwerkwoord is, betekent het niet: ‘licht verspreiden’.
  • Als er méér werkwoorden in de zin staan, dan is de persoonsvorm NOOIT koppelwerkwoord.

Voorbeeld:

Mijn ouders zijn naar Spanje geweest.

In deze zin staan twee werkwoorden: zijn en geweest. Zijn is persoonsvorm, dus: hulpwerkwoord. Geweest blijft over. Het staat in de lijst van koppelwerkwoorden(‘geweest’ komt van ‘zijn’), maar het is geen koppelwerkwoord. Het geeft geen eigenschap weer van Mijn ouders. Het geeft alleen weer waar ze zijn geweest (zich bevinden).

Nog een voorbeeld:

Mijn ouders zijn heel aardig geweest.

In deze zin staan dezelfde werkwoorden als in de vorige voorbeeldzin. Geweest is weer het belangrijkste werkwoord, en ditmaal is het WEL een koppelwerkwoord. In dit geval ‘koppelt’ geweest de eigenschap ‘heel aardig’ aan ‘Mijn ouders’. Je kunt er ook een =-teken tussen zetten: Mijn ouders=heel aardig.

Nog een voorbeeld:

De grond was met bladeren bezaaid.

In deze zin staan twee werkwoorden: was en bezaaidWas staat dan wel in de lijst met koppelwerkwoorden, maar het is hier een persoonsvorm in een zin met twee werkwoorden. Het is dus een hulpwerkwoord. Bezaaid is het belangrijkste werkwoord, en staat NIET in de lijst met koppelwerkwoorden. Er staat dus GEEN koppelwerkwoord in deze zin.

Werkwoordsvormen

Je kunt ook nog in vórmen denken. Je hebt vier werkwoordsvormen.

  1. De persoonsvorm. Deze vind je als je de zin in een andere tijd zet. Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm. Bijvoorbeeld: Ik loop naar huis – ik liep naar huis. ‘Loop’ is dus de persoonsvorm.
  2. Het voltooid deelwoord. Dit staat vaak achteraan in de zin en begint regelmatig met ge-, ver-, be-, her-, ont-, et cetera. Ook moet er altijd een hulpwerkwoord in de zin staan dat een vorm is van ‘hebben’, ‘zijn’ of ‘worden’. Bijvoorbeeld: Ik heb een ijsje gekocht.  ‘Heb’ is het hulpwerkwoord, dat komt van het werkwoord ‘hebben’. ‘Gekocht’ is hier een voltooid deelwoord.
  3. De infinitief (ofwel: het hele werkwoord). Dit hele werkwoord blijft altijd hetzelfde, ook als je de zin verandert van tijd. Bijvoorbeeld: Jan moest in de stal slapen. Jan moet in de stal slapen.
  4. Het tegenwoordig deelwoord. Deze vorm geeft aan hoe het onderwerp van de zin iets doet. Het hangt samen met het onderwerp en het werkwoordelijk gezegde, maar het maakt er géén deel van uit. Het hoort dus NIET bij het werkwoordelijk gezegde. Eigenlijk is het dus maar een vreemde werkwoordsvorm. Daarom heb ik ‘m ook helemaal onderaan gezet. Het tegenwoordig deelwoord is altijd een samenstelling van het hele werkwoord (infinitief) plus een d of de. Bijvoorbeeld: Huilend bracht de jongen zijn fiets naar de fietsenmaker. Je ziet hier dat ‘huilend’ het tegenwoordig deelwoord is, want het zegt iets over het onderwerp: de jongen huilt, en het zegt iets over hoe het onderwerp iets doet (hij doet het huilend).

OEFENINGEN:
werkwoorden allerlei – 01
werkwoorden allerlei – 02
werkwoorden allerlei – 03

hulpwerkwoorden – 01
hulpwerkwoorden – 02

zelfstandige werkwoorden – 01
zelfstandige werkwoorden – 02

koppelwerkwoorden – 01
koppelwerkwoorden – 02

werkwoordsvormen – 01