werkwoordsvormen – 01

Geef aan welke werkwoordsvorm er tussen de haakjes staat.

1. De jongen heeft zijn fiets naar de fietsenmaker (gebracht).
2. Ik wilde je net (bellen).
3. (Moest) jij niet naar een feestje, vanavond?
4. De bijen (zijn) bijna uitgestorven in Nederland.
5. Ik (eet) geen honing!
6. Je zou ook iets harder kunnen (gaan) werken.
7. De mannen (willen) geen hamburger bakken.
8. Heb jij je zakgeld al (ontvangen)?
9. De kamer is met grijs papier (behangen).
10. Kun jij (behangen), denk je?