gezegde

Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden in de (enkelvoudige) zin. Je vindt het werkwoordelijk gezegde dus door alle werkwoorden in de zin op te zoeken en achter elkaar te zetten.

Voorbeeld:

Mijn zus heeft de verwarming op 20 graden gezet.
werkwoorden: heeft en gezet.
werkwoordelijk gezegde = heeft gezet.

Pieter wilde naar huis kunnen fietsen.
werkwoorden: wilde, kunnen en fietsen.
werkwoordelijk gezegde = wilde kunnen fietsen.

*

Het naamwoordelijk gezegde bevat werkwoorden èn een eigenschap die bij het onderwerp hoort.

Om te weten hoe je een naamwoordelijk gezegde kunt vinden: klik hier.

OEFENINGEN
gezegde allerlei – 01

naamwoordelijk gezegde – 01
naamwoordelijk gezegde – 02
naamwoordelijk gezegde – 03
naamwoordelijk gezegde – 04
naamwoordelijk gezegde – 05

werkwoordelijk gezegde – 01
werkwoordelijk gezegde – 02
werkwoordelijk gezegde – 03