naamwoordelijk gezegde – 04

In een zin met een naamwoordelijk gezegde wordt ‘gezegd’ welke eigenschap het onderwerp heeft. Zo’n zinnetje kan zijn: ‘Piet lijkt dik.’ Het woordje ‘dik’ is dan de eigenschap die het onderwerp (Piet) heeft. De eigenschap wordt aan het onderwerp ‘gekoppeld’ door een koppelwerkwoord. In het voorgaande zinnetje is dat koppelwerkwoord ‘lijkt’. De zeven meest gebruikte koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen en heten.

Kun jij in onderstaande zinnen de eigenschappen vinden die bij het onderwerp horen?

1. Marieke lijkt vanmorgen behoorlijk sip.
2. Gisteren was hij ziek, hoor!
3. Die nieuwe docent schijnt heel chaotisch te zijn.
4. Het konijnenhok in de tuin lijkt compleet verrot.
5. In de zomer wordt het in dit lokaal erg heet.
6. Heel gemakkelijk is dit proefwerk niet.
7. Koffie heeft mij altijd heel vies geleken.
8. De winkel op het plein blijkt enorm duur te zijn.
9. Professor werd zij pas op latere leeftijd.
10. Heette jij nou Van Beek?