meewerkend voorwerp

Het meewerkend voorwerp vind je door te vragen: ‘Aan wie(voor wie) + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?’ Het antwoord is het meewerkend voorwerp.

Het meewerkend voorwerp komt voor in zinnen waarin een boodschap of voorwerp van de één naar de ander gaat. Je vindt in dat soort zinnen werkwoorden als ‘geven, verkopen, brengen, vragen, e-mailen, schrijven, vertellen’.

Bijvoorbeeld: Sandra schreef Petra een brief.

Een meewerkend voorwerp kan met het voorzetsel ‘aan’ of ‘voor’ beginnen, maar dat hoeft niet. Als het voorzetsel niet weggelaten kan worden, is het zinsdeel géén meewerkend voorwerp.

Bijvoorbeeld: Die jas moet je aan de kapstok hangen. Het voorzetsel ‘aan’ kun je niet weglaten in het zinsdeel ‘aan de kapstok’. Het is dus geen meewerkend voorwerp maar een bijwoordelijke bepaling.

(Let op: als er geen lijdend voorwerp in de zin staat, kan er nog wel een meewerkend voorwerp in de zin staan. Vervang in de bovenstaande zin ‘lijdend voorwerp’ dan door ‘iets’. Een zin waarin géén lijdend voorwerp staat, maar wel een meewerkend voorwerp, is bijvoorbeeld: Carlo heeft opa al ge-e-maild. (opa is het meewerkend voorwerp). Een ander voorbeeld is: Dat komt mij vreemd voor. (mij is het meewerkend voorwerp))

OEFENINGEN
meewerkend voorwerp – 01
meewerkend voorwerp – 02