meewerkend voorwerp – 01

Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zinnen?

1. Ik heb het gisteren nog aan je moeder gevraagd.
2. Moest je dat werkstuk niet aan de docent geven?
3. Ik heb het die geschiedenisleraar niet durven vertellen.
4. Bracht de melkboer je moeder altijd verse yoghurt?
5. Ik heb mijn beste vriend vijfduizend e-mails gestuurd.
6. Onze aardrijkskundeleraar leerde ons gisteren een mooi trucje.
7. Schenk jij je broer eens een glaasje cola in!
8. De marktkoopman verkocht die rommel aan je zus.
9. Wil je voor Jack een kroket en een bamischijf meenemen?
10. Het computerbedrijf heeft je de verkeerde onderdelen gestuurd.