meewerkend voorwerp – 02

Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zinnen?

Let op! Niet in elke zin staat een meewerkend voorwerp.

1. Die peren moeten nog minstens een week aan de boom blijven hangen.
2. Dat rijpe fruit moet je aan je zieke neefje geven.
3. De kelner schenkt voor Minja een glaasje cola in.
4. Op een heldere avond kun je veel sterren aan de hemel zien staan.
5. De slingers zijn aan de gordijnrails vastgemaakt.
6. Heb je je moeder deze week al geschreven?
7. E-mail mij geen onzinnige berichten!
8. De bromfietser gaf de agent een kopie van zijn brommerrijbewijs.
9. Voor de les moet je de docent het huiswerk laten zien.
10. De winkelwagentjes staan sinds gisteren voor de ingang van de supermarkt.