onderwerp

Het onderwerp in de zin vind je door je af te vragen wie of wat er iets ‘doet’ in de zin. Wie/wat + pv of wie/wat + gezegde= onderwerp.

Piet schildert de deuren van het huis.

Voorbeeld:

Wie schildert? Piet! Piet is dus het onderwerp.

Marja heeft de verse broodjes gehaald.

Wie heeft gehaald? Marja! Marja is dus het onderwerp.

Ga via het menu hierboven, of via de links hieronder, naar de oefeningen.

*

onderwerp – 01
onderwerp – 02
onderwerp – 03
onderwerp – 04