persoonsvorm

De persoonsvorm op zich is geen zinsdeel; hij is onderdeel van het gezegde, werkwoordelijk of naamwoordelijk. Het is belangrijk om bij het ontleden wèl bij de persoonsvorm te beginnen; de persoonsvorm helpt je bij het vinden van het gezegde, en bij het vinden van het onderwerp, en van daaruit kun je dan verder naar het lijdend voorwerp, het meewerkend voorwerp, et cetera.

De persoonsvorm vind je door de zin in een andere tijd te zetten. Het werkwoord dat verandert is de persoonsvorm.

Voorbeeld:

Piet schildert de deuren van het huis.

Piet schilderde de deuren van het huis.

Je ziet dat het woord ‘schildert’ verandert in ‘schilderde’.  Het werkwoord ‘schildert’ is dus de persoonsvorm.

In een zin kan meer dan één persoonsvorm staan. Als je de zin in een andere tijd zet, dan veranderen er meer werkwoorden. Alle werkwoorden die veranderen, zijn persoonsvormen.

Voorbeeld:

Ik wil dat je drie kilo kaas voor me haalt.

Ik wou dat je drie kilo kaas voor me haalde.

Je ziet dat de woorden ‘wil’ en ‘haalt’ veranderen in ‘wou’ en ‘haalde’. Dat zijn dus de persoonsvormen.

*

Ga via het menu hierboven, of via de links hieronder, naar de oefeningen.

persoonsvorm – 01

persoonsvorm – 02

persoonsvorm – 03

persoonsvorm – 04