voorzetselvoorwerp – 02

Voorzetselvoorwerp of bijwoordelijke bepaling?

1. Ik moet altijd enorm lachen om de grapjes van mijn beste vriend. 'om de grapjes van mijn beste vriend' =
2. Ik hang je zware winterjas even aan de kapstok. 'aan de kapstok' =
3. Je moet nooit afgaan op het eerste het beste advies! 'op het eerste het beste advies' =
4. Wil jij je ontfermen over de nieuwe brugklassers? 'over de nieuwe brugklassers' =
5. Spring eens even op de kast! 'op de kast' =
6. De kat ligt wel heel erg lekker op haar nieuwe kussentje. 'op haar nieuwe kussentje' =
7. Mijn klasgenoten hebben wel vertrouwen in hun mentor. 'in hun mentor' =
8. Mijn vriendin is dol op kersen! 'op kersen' =
9. Je moet niet zo hard rijden over die nieuwe weg. 'over die nieuwe weg' =
10. De docent Nederlands heeft geen medelijden met leerlingen die niet leren. 'met leerlingen die niet leren' =