zinsdelen – door elkaar – 01

Bij deze oefening bekijk je de zin en schuif je de juiste zinsdelen en hun namen naar elkaar toe. Bij de zin:’Piet loopt naar school’ schuif je ‘onderwerp’ naar Piet toe, ‘werkwoordelijk gezegd’ naar loopt en ‘bijwoordelijke bepaling’ naar naar school.

De zinsdelen die gebruikt worden, zijn: onderwerp, werkwoordelijk gezegde, naamwoordelijk gezegde, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, voorzetselvoorwerp en bijwoordelijke bepaling.