zinsdelen – door elkaar – 03

Onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en bijwoordelijke bepaling

Hoe heet het zinsdeel tussen de haakjes?

1. Gisteren heeft Isa (haar boekverslag) ingeleverd.
2. Je kunt dat best (aan de docent) vragen!
3. (Misschien) moet je het een andere keer opnieuw proberen.
4. (Filmpjes van Mickey Mouse) vind ik erg leuk.
5. De gordijnen in de woonkamer heb (ik) gisteren nog gewassen.
6. (Die worstjes van de Lidl) heeft Roy opgegeten.
7. Moest je (die sommen op bladzijde 14) ook maken?
8. (Aan de rand van de stad) staat een enorme betonfabriek.
9. Lisa, wil je aantekeningen (in je schrift) maken?
10. (Mariëlle) moet je de schuld niet geven!